Eindsignaal voor de bedrijfsvoetbalclub

De club van droogdokkers vocht veldslagen uit op de Zeeuwse Eilanden. Omdat de helicopter van Prins Bernhard moest landen, renden spelers van de koninklijke hofhouding van het voetbalveld af. Een directeur van de Nederlandsche Bank die aan het 'vulgaire' voetballen deed, zette zijn carriëre op het spel. Bedrijfsvoetbalverenigingen zijn de gekste clubs die aan de KNVB-competitie deelnemen. Voor zolang het duurt. 'Het is een overblijfsel uit een voorbij verleden.'

 © Hans van Vinkeveen


'Droogdokkers werden alom gevreesd. Tegenstanders zagen er enorm tegenop om tegen RDM te voetballen. Dat was niet overdreven. Wij voetbalden kogelhard en knokten voor elke bal. Dat ging door tot de laatste minuut. Het was lastig om van ons te winnen.'
Op het veteranenbankje langs het voetbalveld van RDM, de letters staan voor Rotterdamse Droogdok Maatschappij, wordt bijna vergeten clubhistorie opgehaald. Verhalen over mannetjesputters die voor de wedstrijd de mouwen opstroopten. Die zo nodig in het veld als beulen optraden. Die in de kleedkamer vloekten alsof ze bezig waren een oud schip te repareren.
Vooral de uitwedstrijden op de Zeeuwse Eilanden waren legendarisch. 'Er stonden daar langs de lijn allemaal klompen. Fanatiek dat ze waren, die boeren! In het veld ging het hard tegen hard; complete veldslagen waren het. Bloed aan de paal. Je moest het ook niet wagen daar te winnen. Dan dreigden ze ons, die klere Rotterdammers, te grazen te nemen. Op een keer zijn toen de ruiten van onze bedrijfsbus eruit geslagen.'
Het geschiedde allemaal in de vredige jaren vijftig.
En wat te denken van de wedstrijden tegen de plaatselijke concurrent VOC, een van de vele eliteclubs die voor de oorlog bestonden. Onderlinge confrontaties hadden veel weg van een klassenstrijd. 'VOC was de deftige club van de Lunsen, van meester Joseph, de latere minister. Dat was me een kouwe kak, de hele wedstrijd werd er geklaagd. "Scheidsrechter, die bootwerkers gaan er veel te hard in." Op dan zo'n kakkerig toontje.'

In het oudste deel van de Rotterdamse haven ligt temidden van hoge kranen en huizenhoge stapels containers het voetbalveld van RDM. Ooit was het de club van het gelijknamige havenbedrijf. De gehele buurt, Tuindorp Heyplaat, was eigendom van de werf. Heyplaat was een fabrieksdorp, waar uitsluitend het personeel van RDM mocht wonen. Zo creëerde de onderneming bedrijfstrouw bij haar werknemers. Heyplaat was een 'arbeiderskolonie', maar wel een met rangen en standen. De directie woonde in chique huizen aan de dorpsgrens, bijgenaamd het 'gouden randje'. Er was ook een randje van zilver, waar de iets minder dure huizen van de hoofdbazen stonden. Maar het gros van de dorpelingen was arbeider op het droogdok.
De voetbalvereniging van RDM werd in 1915 door de werknemers opgericht. Het is een van de oudste bedrijfsvoetbalclubs die aan de KNVB-competitie deelnemen. In het begin van de vorige eeuw kwam er vanuit bedrijven het initiatief om het personeel te laten recreëren. De sociale positie van de arbeider verbeterde. De salarissen gingen omhoog en de zaterdagmiddag kwam vrij. Het voetbal werd gezien als een onschuldige tijdspassering, in tegenstelling tot ruwer volksvermaak als de kermis en kroegbezoek. Het duurde niet lang of RDM streed in competitieverband tegen andere havenbedrijven. Volgens de veteranen is hieruit later de Rotterdamse Voetbalbond ontstaan.
De directeuren van de droogdokmaatschappij vonden het prima dat het personeel tegen een bal aan trapte, maar verder was er weinig affiniteit met het voetbal. Dat groeide in de twintiger en dertiger jaren tot volkssport nummer één uit. 'Die mensen waren van een ander niveau. Het waren gedistingeerde meneren die niet over voetbal praatten.' Op de club zaten voornamelijk mannen van de gestampte pot. Ze verdienden hun brood met zwaar werk als ijzerwerker, schilder of lasser en moesten bij nacht en ontij paraat zijn.
Toch klopte de club nooit vergeefs bij het bedrijf aan. Voorzitter Meijer, die bij het droogdok werkzaam was als een eenvoudige klinker, stapte zonder vrees de directiekamer binnen. 'Moet u luisteren, zei hij dan, de voetbalclub gaat met de trein. Dat kost een gulden per kaartje. Ik wil 25 gulden hebben. Dan zeiden ze: Meijer, hier heb je honderd gulden. Wat je overhoudt, geef je maar terug. Maar dat geld werd natuurlijk in drank omgezet.'

RDM voetbalde vlak voor en na de oorlog in de 3de klas KNVB. Aan dit sportieve succes had het bedrijf een belangrijk aandeel. Het speelde een cruciale rol bij het aantrekken van goede voetballers. Zulke 'transfers' waren toentertijd aan de orde van de dag. Alleen was het lokkertje niet een bom geld, maar een baan. 'Al was je geen bankwerker, dan was je toch bankwerker,' zegt een veteraan met een knipoog. Afhankelijk van iemands talent kon dit een belangrijke functie zijn. 'Een goede eersteklasser kon zo baas worden bij de RDM. Al werd dit nooit hardop gezegd. En een speler van Feyenoord 1 kreeg alleen werk op de werf als die er ook kwam voetballen.' Zo is onder anderen de opa van John de Wolf bij de club gekomen. Gedurende lange tijd was bij sollicitatiegesprekken de vaste vraag: kun je voetballen? Wie 'nee' zei, kon de baan op zijn buik schrijven.
Boert het bedrijf goed dan profiteert de bedrijfsvoetbalclub mee. Toen de scheepswerf in de wederop-bouwjaren begon te floreren, was het bij de club rozengeur en maneschijn. Er stond voor de uitwedstrijden altijd een bedrijfsbus klaar. De velden werden kosteloos bespeeld en voor het onderhoud aan het complex hoefde ze maar te kikken en er draafde een mannetje van de werf op. Secretaris Bommeljé, hoofd salarisadministratie bij het bedrijf, 'was nooit ongenegen om een subsidiepotje te openen'.
Daar stond wel, zacht uitgedrukt, 'een beetje regime' tegenover. In feite voerde de man de scepter over de club, zegt Rinus Rasker, de huidige consul van RDM, onder het draaien van zijn zoveelste zware Van Nelle. 'Hij bemoeide zich met vrijwel alles. Het scheelde weinig of hij maakte ook de opstelling. Een speler die door het droogdok was gehaald, moest van de secretaris spelen. Ook ging hij op zaterdagavond door het dorp om te controleren of de spelers al op bed lagen. De volgende dag kreeg de trainer het advies de laatmakers op de bank te zetten.'
Typisch voor een club als RDM was ook de saamhorigheid. Al vielen er onderling soms woorden die, op z'n Heyplaats gezegd, 'in woord en gebaar optochtten' (opluchten), in de kantine was het altijd ouwejongens-krentenbrood. En bij een opstootje in het veld stonden de mannen vierkant achter elkaar. Hoe kon het anders? Medespelers waren doordeweeks maten op de scheepswerf. Buiten werktijd kwam je elkaar in het dorp tegen. In Tuindorp Heyplaat kende iedereen elkaar.
In de zeventiger jaren veranderden de gesprekken in en rond het clubgebouw van toon en onderwerp. Ze gingen niet meer over het van stapel lopen van de laatste zeeschip. Er heerste grote ongerustheid over de massaontslagen bij de scheepswerf. Rasker: 'Je praatte alleen nog maar over wie er bij de volgende ontslagronde zaten. Het gebeurde dat jij mocht blijven, terwijl je buurman weg moest.' Begin jaren tachtig 'ontplofte' RDM en werd de club afgestoten door het bedrijf.

In Nederland nemen er momenteel naar schatting nog ruim dertig bedrijfsvoetbalclubs als RDM deel aan de competitie van de KNVB. Veruit de bekendste is PSV, de club van wat ooit de eigen fabrieksbuurt Philipsdorp was. De overige spelen in de amateurcompetitie en zijn voor het merendeel te vinden in de Randstad. Zo doen in West 1 nog vvKLM, ABN/Amro en de Beursbengels mee. In West II staan er elftallen van Nationale Nederlanden, HVZ (Heineken) en GWS (verffabrikant Sikkens) tussen de krijtlijnen. Er zijn tamelijk veel clubs die nauw verbonden zijn met een ambtelijke instelling, energiebedrijf of een bepaalde beroepsgroep. Ze heten P&T (post), RET en AGT (trambestuurders), Brandweer, APGS en Hermandad (politie), Marine en Giram.
Een veelvoud van de bedrijfsvoetbalclubs is echter verdwenen. Ze zijn opgeheven, in een fusie opgegaan of de afkorting kreeg een andere invulling waardoor de afkomst is vergeten. Wie herinnert zich nog Rising Hope, de club van tabaksfabrikant Van Nelle? Of voetbalvereniging Sunlight van Unilever (thans Delta Sport)? In Zuid-Limburg hadden de staatsmijnen een eigen club: Emma (thans EHC) en RKONS (sv Schaesberg). Het Nijmeegse Trajanus was een van de vele clubs met personeel van de PTT. Al spittend in het verleden komen de veteranen nog op merkwaardige voetbalclubs als DWSV (dagblad De Waarheid), AP (Uitgeverij De Arbeiderspers), Nehamij (Nederlandsche Handelsmaatschappij), Wilsonmeters (Gasmeterfabriek) waar Bertus de Harder nog heeft gespeeld, AGOVV 62 (Amsterdamse glazenwassers), het Haagse PDK (procureurs en deurwaarders) en diverse havenbedrijven. Zonder naar volledigheid te streven maakt de opsomming duidelijk dat de bedrijfsvoetbalclub vroeger een vertrouwd fenomeen moet zijn geweest.
In deze toch al ongewone verzameling zit een enkele bedrijfsvoetbalclub die er qua vreemdheid uitschiet. Het Haagse KSD, de afkorting staat voor Koninklijke Stallen Departement, is de club van de koninklijke hofhouding. De voetballers werken als lakei of beveiliger op paleis Noordeinde. Of ze zijn werkzaam in de paardenstallen, het 'reisbureau' van de Oranjes. Ja, ook de koetsier van de gouden koets trapt een balletje. Eigenlijk mocht KSD zich tot voor kort het enige echte Oranje noemen. De koningin was immers de hoofdsponsor van de club. De band met de koninklijke familie is nu wat verwaterd. Het oranje shirt is ingeruild voor het even symbolische rood-wit-blauw van de Nederlandse vlag. Maar de herinneringen blijven. In het clubgebouw staat in grote letters boven de uitgang 'Prins Claus der Nederlanden'. Aan de muur hangt een grote foto waarop is te zien hoe koningin Beatrix of 'de majesteit' zoals de KSD'ers haar devoot noemen, in gesprek is met clubbestuurders.

Ook de locatie van de voetbalvelden is ongewoon. KSD voetbalt tussen kazernes op militair terrein. Iets verderop bevindt zich de Waalsdorpervlakte waar de jaarlijkse Dodenherdenking wordt gehouden. De club heeft geleerd zich te schikken naar de wensen van Defensie. Het veld wordt gedeeld met voetbalvereniging Marine. Ook dient het als landingsplaats van de koninklijke helikopter.
'In de jaren zestig en zeventig kwam het herhaaldelijk voor dat de helikopter tijdens een wedstrijd boven het veld verscheen', vertelt Leen Wolswyk. 'Dan was het bij de spelers van: 0, hij komt naar beneden, gauw van het veld af. Stapte prins Bernhard in militair tenue uit. Nee, hij bleef nooit even naar de wedstrijd kijken.' Oud-koetsier Wolswyk is tussen haakjes een levende clublegende. De supersnelle spits scoorde in het seizoen 1964 meer dan 100 competitiedoelpunten. 'Leen liep en het was een doelpunt', was een gezegde in die dagen.
Het Stallen Departement was in zekere zin ook een militair onderdeel. Er was nauw contact met de landmacht in verband met Prinsjesdag. Ook valt een hiërarchie af te lezen van de rangorde met functies als koetsiermajoor en opperstalmeester. De discipline die er heerste, liet dan ook zijn sporen na bij de voetbalclub. Voorzitter Van der Touw, koetsiermajoor bij de Stallen, was een autoriteit die er de wind onder had. Hij lette streng op het uiterlijk van de spelers. Sokken moesten opgehaald zijn, het shirt in de broek.
Wolswyk: 'Hij zei altijd: Laat zien dat je van de Koninklijke Stallen bent. Dat betekent dat je je als een gentleman moet gedragen.' Wie in het veld vloekte, kon rekenen op een uitbrander of hij werd op het matje geroepen. Ook nu nog vinden ze zich bij KSD een nette vereniging. 'Geen eliteclub van herenboeren in driedelig pak, maar er is wel een soort ballotagecommissie. Heeft iemand een te grove mond of niet al te beste achter­grond dan laten we hem niet toe.'

De geboortewieg van KSD stond op paleis Soestdijk. Het paleis had een eigen voetbalclub KPS, waarbij nogal wat 'stallenjongens' uit Den Haag speelden. In 1931 ontstond de behoefte aan een eigen club en werd KSD opgericht. De eerste tijd trainden de voetballers in het Zuiderpark en werden de gehuurde voetbalshirts voor elke wedstrijd 'met de brik' opgehaald. Het was ook voor leden van de hofhouding een armoedige tijd. De Oranjes bulkten weliswaar toen al van het geld, maar hiervan werd weinig doorgesluisd naar het stalpersoneel. 'Het rijden op de gouden koets zag men in die tijd als een erebaan', zegt Wolswyk die nog een tijdje bij de stallen weggeweest is, omdat hij de huur niet kon betalen. Maar hij toont geen spoor van rancune.
Daarna kwam er beetje bij beetje geld los, want het bedrijf zag het voetbal als een sociaal gebeuren. Wel moest er eerst nog een oranje embleem op de shirts met de letters KSD. Dat zat met drukkertjes vast, zodat het er voor het wassen af kon. Via 'hogere kringen' werd het huidige voetbalveld geregeld. Maar een gulle gever was het bedrijf in het begin niet. Het eerste clubgebouw was een van tweedehands hout getimmerde hut zonder wc. Later is men nooit geld te kort gekomen.
Vooral in oranjegezinde gebieden was KSD een club van grote aanzien. De uitwedstrijden in Zeeland of een toernooi op de Veluwe waren evenementen, waarvoor hele dorpen uitliepen. Wolswyk: 'We werden daar als prinsen onthaald. Het personeel van het koninklijke huis kwam op visite, dat maakte indruk. Besturen stonden plechtig opgesteld en stelden zichzelf en de spelers beleefd aan ons voor.' Het ontzag nam tijdens de wedstrijd nauwelijks af. Iets waaraan het oranje shirt van de KSD-spelers mede debet zal zijn geweest. 'De tegenstanders gingen nog net niet voor je opzij, maar ze waren heel voorzichtig en pasten er voor op dat je werd geraakt.'
Minder oranjegezinde tegenstanders schroomden niet de KSD'ers hun afkomst in te peperen. KSD stond bekend als de 'Paardenclub'. Ging een speler er wat fors in dan volgde geheid de opmerking: 'Hé paardenboer, kun je niet uitkijken.' Een klassieke plagerij was ook: 'Pas op, wij betalen jullie van onze belastingcenten.'
Liep de koetsier een blessure op, dan was het maandag gewoon werken. 'Je dorst niet thuis te blijven. De regel was: Wie kan voetballen, kan ook paardrijden. Moest je met een dikke enkel in die schachten van rijlaarzen. En maar azijn en water erover gieten om de zwelling te laten slinken. Later pakte je het slimmer aan en trok je een te grote rijlaars aan met een hoop talkpoeder erin.'
De relatie met het koningshuis is een verhaal apart. KSD kan zich erop beroemen meermalen Oranjes op bezoek te hebben gehad. Zo organiseerde de 'PvO', paleisjargon voor prins van Oranje Willem Alexander, een toernooi met KSD, een team van zijn medestudenten en de Nederlandse schaatsploeg. De PvO bleef overigens vanwege zijn knie langs de kant. Prins Claus sloeg in het bijzijn van 'hoge heertjes' de eerste paal voor het nieuwe clubgebouw. Dat na de bouw tot ieders verrassing door de 'majesteit' werd geopend.
Die speciale band met het koningshuis is er ook privé. Wolswyk: 'Ik ben superoranjegezind. Is er iets over de familie op televisie, dan kijk ik altijd.' Maar wie nieuwsgierig is naar het humeur van hare majesteit krijgt nul op het rekest of hij wordt doorverwezen naar de Rijksvoorlichtingsdienst. Bij de club heerst een zwijgplicht. Trouwens: 'Veel contact is er niet tussen het personeel en de prinsen en prinsessen. Je bent immers onderdaan.'

De toekomst is niet aan de bedrijfsvoetbalclub. Net als bij andere amateurverenigingen is er een chronisch gebrek aan vrijwilligers. Daarnaast zijn er extra problemen. Bedrijfsclubs zijn over het algemeen klein en dus kwetsbaar bij afzeggingen. Verder hangt de subsidie af van een voorgeschreven percentage van leden dat werknemer bij het bedrijf moet zijn. De teneur is echter dat de bedrijfsclubs op zogenaamde buitenleden aangewezen zijn en dat dit er steeds meer worden.
Bij KSD ging de subsidiekraan overigens om een bijzondere reden dicht. Er was te veel media-aandacht voor een wedstrijd ter gelegenheid van het 60-jarige bestaan, waarbij een paar prinsen zouden komen. Er is een fusie overwogen met de buren Marine, de voetbalclub van de mariniers. 'Maar dan verlies je je identiteit.' Nu bedruipt de club zichzelf, al houden de sportieve prestaties niet over. Het eerste elftal slaagde erin met 0 punten te degraderen naar de laagste klasse. Mogelijk dat het beter gaat zodra de band met de Oranjes weer hersteld wordt. Maar dan moet eerst de PvO koning worden, is de raadselachtige uitleg.
Komt het bedrijf in zwaar weer, dan raakt ook de club in de gevarenzone. Toen het havenbedrijf RDM uiteenviel, brak er een spannende tijd aan. Opeens kwamen alle onkosten voor rekening van de club. De ontslagen werknemers wilden niet meer bij een club met de naam RDM spelen en vertrokken. Even werd overwogen om de naam te veranderen in FC Heyplaat. Rasker: 'Toen brak hier de oorlog uit. Ze zeiden: Je gaat toch niet een club die is opgericht in 1915 hernoemen.' Nu rooien ze het aardig bij de arme 'ouwekrantenvereniging' RDM. Het eerste elftal voetbalt in de laagste klasse, maar er is een gestage aanwas vanuit de vijf jeugdelftallen.
Het kan zo ver komen dat een bedrijfsclub van de ene dag op de ander zijn voetbalvelden en clubgebouw kwijtraakt. Het overkwam vorig jaar het Amsterdamse DeNeBa, de voetbalclub van De Nederlandsche Bank. Dat het sportcomplex Guldenhof - op de naam rustte blijkbaar geen zegen meer - het cadeau van de Bank voor het 25-jarige bestaan was, kon de directie niet vermurwen. Er kwam geen verzet tegen het besluit. De leden, doordeweeks bankmedewerker, begrepen maar al te goed dat het niet anders kon. De exploitatiekosten van het complex waren te hoog en de animo ervoor gering. Een overheidsinstelling als de Nederlandsche Bank kan niet, zeker als het economisch tij slecht is, met geld smijten. Er dreigden bovendien wegens een reorganisatie collega's weg te moeten. Dan is de keus of het sportpark openlaten of minder ontslagen snel gemaakt.

En ze waren zo verwend, de voetballers van DeNeBa. Het aan de Amstel gelegen Guldenhof was misschien wel het mooiste sportcomplex van Amsterdam. De Bank zag het als haar visitekaartje, meer nog voor de ontmoetingen met de bezoekende teams van andere Europese centrale banken dan voor de doorsnee competitiewedstrijden. Guldenhof stak overigens nog bescheiden af bij de buitenlandse sportaccommodaties, waar DeNeBa tijdens het jaarlijkse, internationale toernooi te gast was. Daar zaten enorme prestigeobjecten tussen. Het was een en al weelde wat de klok sloeg. Het complex van de Bank of England bestond uit een overdekt zwembad, motels, tennisbanen, cricket-, rugby- en voetbalvelden. De Banque de France bezat zelfs een eiland in de Seine.
Het was volgens Arie Goené een geheel andere tijd, toen DeNeBa in 1947 werd opgericht. Goené is oud-voorzitter en het enige lid dat nog in het elftal van het eerste uur speelde. Het 'O&O-werk', de ontwikkeling- en ontspanningsvereniging, werd enorm gestimuleerd vanuit de Bank. De gedachte er achter was de onderlinge verstandhouding tussen het personeel te verbeteren. Er bestonden al een muziek-, postzegel- en toneelclub, maar voetbal werd vooral door het hogere personeel ordinair gevonden.
Registeraccountant Goené was de enige afdelingsdirecteur die voetbalde. 'Dat was heel ongebruikelijk', zegt hij met een zich verheffende stem. 'Voetballen deed de technische dienst, de bewaking en de lagere kantoorbedienden. Maar een hoofdbeambte, die het toegestaan was om te laat te komen, dat kon echt niet.' Goené is meerdere keren door collega-hoofdbeambten gewaarschuwd. 'Dat kun jij niet maken, in jouw functie voetballen met de jongens. Het staat je carrière in de weg. Maar van voetballende directiechauffeurs hoorde ik dat de top het op hoge prijs stelde dat ik met de jongens speelde. Zo was het een beetje schipperen.'
Schipperen moest Goené ook binnen de club. 'Ik wilde graag dat de jongens me tutoyeerden. Maar dat was voor de jongeren te veel gevraagd. Ze probeerden het altijd te ontwijken.' Dit veranderde in de loop van de zestiger en zeventiger jaren, toen ook binnen de Bank de hiërarchische verhoudingen platter werden. Langzaamaan ging ook het hogere personeel het voetbal waardig genoeg bevinden. 'Nu staat er van alles in het veld', zegt Bob Brokmann, teamcoördinator effectenbedrijf. 'Geleerde meesters en doctorandussen naast mensen van het laagste betalingsniveau uit de facilitaire dienst of bankbiljettensortering. Het leuke aan voetbal is dat het een sociale sport is. Je merkt niets van een hiërarchie. Al zegt een afdelingsdirecteur eerder dat we dit of dat niet kunnen maken. Hij voelt zich wel iets verantwoordelijker.'

Tegenstanders hadden meestal helemaal geen oog voor de verschillen. 'Dan ging het van: Banksukkeltjes, jullie hebben hier zeker de goudstaven liggen.' Na een stevige tackel was het getreiter meestal over. Al hebben de DeNeBa-spelers altijd gewaakt voor asociaal rondschoppen en schelden. 'Je vertegenwoordigt het bedrijf en kunt moeilijk met de kop 'Kloppartij op het sportpark van de Nederlandsche Bank' in de krant komen.' Brokmann bekent wel soms moeite te hebben gehad met het hoog houden van de naam van de Bank.
DeNeBa speelt nu thuis ook uit. De thuiswedstrijden worden op de velden van RKAVIC in Amstelveen afgewerkt. Het eerste elftal is wegens een spelerstekort uit de competitie gehaald. Er komt geen aanhang meer mee. Al was het ontvangst door RKAVIC hartelijk, in de kantine voelen de spelers zich een vreemde eend. Ze mochten wat 'dingetjes' ophangen uit het oude clubgebouw. Een vaantje van de Banco d'Italia en de kicksen van een gepensioneerde voetballer. 'Die stond hij af voor spelers die hun schoenen waren vergeten. Ze zaten in een doos van voor de oorlog.' Het zijn de laatste relikwieën uit de eigen kantine, de huiskamer van de voetbalclub.
DeNeBa, de club van De Nederlandsche Bank, is op sterven na dood. Volgens Goené, die tijdens het afsluitende toernooi op Guldenhof werd getroffen door een hartinfarct, is de bedrijfsvoetbalclub een overblijfsel uit een voorbij verleden en gedoemd te verdwijnen. Het stamt uit een tijd dat er nog bedrijfstrouw bestond. 'Wij voetbalden met mensen die 35 tot 40 jaar bij de Bank bleven. Tegenwoordig hebben medewerkers een arbeidscontract van een paar jaar en verdwijnen daarna weer.' Zo'n kern van oude getrouwen is de basis van een bedrijfsclub.
DeNeBa is weer terug bij af, want de club is ook in onderhuur begonnen. Maar ditmaal is er geen toekomst, realiseert Goené zich terdege. 'Hoelang DeNeBa het nog volhoudt, weet ik niet. Het zal pijn doen, maar ik voorspel dat de club zijn dood zal sterven.

Hans van Vinkeveen

 

terug