'Als we de Westertoren niet zien, zijn we ziek'

Vroeger stond er op elke straathoek in de Amsterdamse Jordaan een ploeg praters. Je haalde het niet in je hoofd om bij een andere ploeg te gaan staan. Er is er nog maar een over. Trouw elke middag scholen de 'Jordaners' samen om te doen waar ze goed in zijn: kanke­ren en apekool verkopen. Portret van een hangplek voor ouderen.

Hans van Vinkeveen


Jan, bijgenaamd 'De neus', trekt een gezicht alsof hij zeggen wil: heb je nog meer belachelijke vragen. Waarom hij naar de hoek komt, spreekt toch voor zich. 'Omdat we hier geboren ben­ne', klinkt het kortaf. De bewuste hoek is die van de Wil­lem­sstraat-Palm­dwars­straat. Jan (84 jaar) zit er op de 'AOW-bank' te keuvelen met Toon van Unen. Ze zijn met z'n twee­n, maar dat duurt niet lang. Druppelsgewijs komen er praters aanwaaien. Is het 'hele zooi­tje' er, dan staat er wel een manne­tje of twaalf. Als het weer goed is. Anders steekt de praat­ploeg over en wordt er ge­praat onder het zonnescherm van de sla­gerij.
'Je babbelt veel over vroeger', zegt Toon (89), die voor zover hij weet geen 'scheldnaam' heeft. 'Daar raak je niet over uit gepraat.' Hij heeft jarenlang in de asfalt gezeten, waarmee hij de wegenbouw bedoelt. Zodra het begon te winteren kreeg hij vaste prik ontslag. 'In de wintertijd liep je aan de steun. Zo rond maart mocht je dan weer terugkomen. Toen ik een dagje ouder werd, ging ik in de haven werken. Dat heb ik ruim vijf­en­twintig jaar volgehouden.' Ongevraagd begin hij over de buurt. De Jordaan is niet meer was zij geweest is. 'Al die vreem­de mensen, je kent je eigen buren niet eens.' De ­klaag­zang over import in de buurt is een vast refrein.
'We doen waar Jordaners goed in zijn', zegt Jan. 'We kanke­ren. ­Zo zitten de Jordaners in me­kaar. Al hebben ze het nog zo goed, ze moeten mopperen.' Waarover zo al? 'Over alles. Dat de uitkeringen te laag zijn, je kent al die rotzooi toch wel. Nu moeten we weer 35 gulden betalen om je tv opnieuw in te laten stellen. Een klere­zooi is het.' Jan doelt op de aller­laatste grap van UPC, voormalig A 2000, die zo nodig de zen­ders door elkaar moest husselen. Die middag gaat de naam van het bedrijf geregeld, vergezeld van een stevige vloek, over de tong. 'Ze bestelen je onder rijkstoe­zicht.'
Ongemerkt is Janus Jongebloet (72) erbij komen staan. Hij is een geboren en geto­gen Willemstrater, maar is uit de buurt verhuisd. 'Janie heeft ons in de steek gelaten', plaagt Jan. 'Men­eer heeft zich opge­werkt.' 'De mannen zijn me te oud gewor­den', prikt Janus terug. Hij heeft tot zijn pensioen in de lompen­han­del van de familie gewerkt. Het bedrijf was even verderop in de straat gevestigd. De praatploeg bestaat, zo blijkt later, vrijwel geheel uit arbeiders. 'We zijn allemaal jongens van de gestampte pot.'
Dirk van der Moot (67) zat in het oude metaal en heeft de toepasselijke bijnaam 'Stiefbeen'. Cor Tol (70) was metselaar, 'knechie in de bouw'. Evert (66) heeft als uitbener bij een slachterij 'veel vlees gejat voor eigen verkoop'. Hen­drik de Groot (66) ofwel 'Henk de biet­ser', was ooit picco­lo. 'Ik moest koffers dra­gen, bedden opmaken, schoenen poetsen.' Bouwvakker Hanni Kreuger (69), 'een van de Dal­tons', scharrel­de bij in de han­del. Jan is van alles ge­weest: taxich­auf­feur, sla­ger, caf-eige­naar. 'Twaalf ambach­ten der­tien onge­luk­ken was ik, maar ik heb nooit bij sociale zaken aange­klo­pt.'

'Vroeger stond er op elke hoek een ploeg praters', herinnert Janus zich als de dag van gisteren. 'Bij de Goudsbloem­straat, Palmstraat, Lin­den­gracht, dat waren de vaste stekken. Elke straat had zijn eigen ploeg. Wie hier stond, mocht niet daar staan. Je haalde het niet in je hoofd naar een andere plek over te gaan. Er stak geen kwaai­igheid in, zo was het nu eenmaal. Toen ik twaalf was, kreeg ik een keer een draai om mijn oren en moest ik van de hoek af. Een snot­neus als ik mocht niet bij oudere mensen staan.'
De praters begroeten Jan Sas (84). Aan zijn loop­stok bengelt een bloemkool in een plastic zakje. 'Gaat de buurvrouw voor me klaarmaken.' Jan is net terug van na een operatie. De dokters hebben een van zijn heupen eruitge­haald. 'Er zitten nu honden voor de deur te zeuren om mijn andere heup.' Zijn binnenkomer veroorzaakt algemeen gelach. 'Het is hier nog het enige plekje met hu­mor', vindt voormalig diamantslij­per Piet Vonk, die zijn bij­naam 'Piet de prater' eer aandoet. 'Je lacht wat af. Ach, je zit anders maar in de verpaupe­ring.'
Woordenwisselingen zijn er vooral over voetbal. 'Zegt de een rood, dan zegt de ander groen.' Jan (De neus) ging vroeger elke zondag naar de wedstrijden van DWS. Praat hem niet van Ajax. 'Ga je weg, die club is geen kloten waar­d.' Hij maakt het veelzeggen­de gebaar van een duim die over de wijs­vinger van dezelfde hand wrijft. 'Het draait enkelt om geld bij ze. Het is toch niet te beta­len voor ons soort mensen.' Verliest Ajax dan is het feest op de hoek. Vooral Ome Willem (89), alias 'de wet­houder van de Wil­lemstraat', krijgt de nederlaag ingepe­perd. Over zijn beroeps­verleden laat de Ajax­man weinig los. 'Ik heb gestu­deerd', zegt hij met een stalen gezicht, wat veel ongeloof bij de anderen zaait. 'Ge­studeerd jij, je hebt het nooit verder gebracht dan ouwe­hoer.'
Vooral de toestand van de buurt maakt de tongen los. Unaniem is de praatploeg het erover eens dat de Jordaan met sprongen achter­uit­gaat. Ze voelen zich er bijna niet meer thuis. Oor­zaak: de import van yup­pen en bui­ten­landers. 'Een lachertje is het, wat voor publiek er in de wijk komt.' De ouderen verdrin­gen elkaar bijna om hun onvrede te uiten als de laatste groep ter sprake komt. De ene uitspraak is nog onge­zou­te­ner dan de ander. Alsof het ze geen fluit kan schelen dat je tegenwoordig voor zulke uit­spraken een proces aan je broek kunt krijg­en. De teneur: buitenlanders mogen meer dan de oorspronkelijke buurt­bewoners.
Ook voor de yuppen of 'intel­lectu­elen' hebben de hangouderen geen goed woord over. 'Ze zijn te belazerd om je goeiendag te zeggen', zegt Piet. 'Ze kennen je niet. Of ze kijken je aan alsof ze zeggen wil­len: hoor jij hier of ik. Maar ze passen er wel voor op dit hardop te doen, want dan krijgen ze van onder­uit de mok.' Jordanesen zeggen de dingen onge­wassen.
Het toppunt is dat er mensen in de buurt gevonden worden die een paar dagen dood zijn. Vergeten door de buurt. Daar kunnen de ouderen niet over uit. 'Niet te verge­lijken met vroeger, schei toch uit', bromt Jan (De neus) en hij slaakt een vloek waar­van de drukpers vast zou lopen. 'Toen mijn Ome Hein ziek thuis lag, ging iedereen op zijn sokken de trap af', zegt Janus. En hij woonde toen wel in een pand met maar liefst zestien buren, 'met de kinde­ren erbij een stuk of honderd mensen'.
'Zat iemand zonder geld, dan gaf je hem als het moest je laatste gulden', vult Jan Sas aan. Hij was zijn leven lang kolen­sjou­wer van beroep. 'Ik weet niet hoeveel mud ik in mijn leven op mijn rug heb gehad.' De mensen stonden volgens hem vroeger meteen voor elkaar klaar. Als de buur­vrouw moest bevallen, en dat gebeurde nogal eens, dan werd er van de bewoners ver­wacht dat ze het pand verlieten. 'Het hele hok werd eraf gegooid, want de ooievaar moest ko­men. Er was in onze tijd saamhorig­heid.' Het komt volgens de ouderen door de armoe en ellende. 'Je was vroeger geluk­kiger met een gulden dan nu met een meier.'

'Onze ziel ligt hier', zegt Piet. 'Als we de Westertoren niet zien, zijn we ziek. Er wonen hier mensen die nog nooit op vakantie zijn geweest. Ze kunnen de Jordaan gewoon niet uit. Als mijn vader naar Sloterdijk ging, dacht hij dat hij in het buiten­land zat. Dan wou die gauw weer terug.' Jan Sas steekt zijn hand op. 'Dag wijf­fie.' 'Dolle Dien heeft een hersenbloe­ding gehad', zegt de buurtbewoonster. 'Veel Jordanesen ken ik alleen bij hun scheldnaam', zegt Jan. Wat dat betreft is er niets veranderd sinds de boeken van Querido.
'Je hebt het vaak over het wel en wee van de oude buurtbewo­ners', zegt Janus. 'Dat die en die overleden is. Wie er pas geopereerd is en hoe het met hem gaat.' Dan iets luider ter­wijl hij met zijn kin naar Jan Sas wijst: 'Maar of het met dat manne­tje goed komt, ik weet het zo net niet.' Ligt er een prater in het zieken­huis, dan lapt iedereen een knaak voor een fruit­mand. Ook moet er helaas af en toe een afvaardiging naar een begrafe­nis. 'Niet dat we alle­maal zo goed zijn met el­kaar', bekent Piet. 'Bij een enkeling denk je toch: hij had tien jaar eerder moeten gaan.'
'Dit is het laatste ploegje praters van de Jor­daan', denkt Janus. Aanwas is er niet, de praatploeg kent alleen maar afvallers. Jan Sas: 'Die overlijden komen niet meer.' En de eigen kinderen verhuizen allemaal uit de stad. Piet: 'Wij sterven uit zoals de Jordaan aan het uitster­ven is.' Een voor een, even onver­wachts als ze aan komen waai­en, druipen de hangouderen af. Morgen staan ze er weer.

Hans van Vinkeveen

 

terug